Webstek van Prins Vogelvrij Rotating Header Image

Communicatieve zelfsturing als nieuwe filosofie (uitgebreid)

wordt aan gewerkt…

Een integrale weergave van het werk van Arnold Cornelis.

Ik bespreek in dit artikel het werk van Arnold Cornelis. Het biedt de lezer een integrale weergave van en inleiding op het werk van Cornelis. Achter het werk van Cornelis schuilt 40 jaar onderzoek. Cornelis publiceerde zijn werk in de jaren negentig van de vorige eeuw. Hij verwijst in zijn werk veelvuldig naar “het nieuwe denken” in het onderwijs, in het bedrijfsleven en dat in zijn algemeenheid uitgaat van het tot ontplooiing brengen van de talenten van mensen en de zelfsturing van mensen.

Communicatieve zelfsturing houdt in dat mensen geleerd wordt zichzelf te sturen, met behulp van de communicatie. Communicatie kan gaan over het toetsen en de vorming van het zelfbeeld van een individu. Om tot zelfsturing te komen heeft de mens een zelfbeeld en een wereldbeeld nodig, die te overzien zijn als een geheel. Dat vormt voor een mens zijn filosofie, vergelijkbaar met het dashboard van een auto, dat het stuursysteem van de auto vormt. Communicatie gaat verder over het tonen van mogelijkheden, want alleen in een wereld van mogelijkheden kan een mens zichzelf sturen.

Cultuur van verdwaling

Cornelis schrijft van de “cultuur van verdwaling”. Dat houdt in het algemeen het gebrek van culturele ondersteuning in voor de zelfontwikkeling van mensen. In Nederland doen we het volgens Cornelis over het algemeen, met het poldermodel, overigens vrij goed. Cornelis zag in het poldermodel de communicatieve zelfsturing al op gang komen.

Als mensen spreken in termen van “het systeem”, is dat een symptoom van de cultuur van verdwaling. Volgens Cornelis is er namelijk niet een systeem, maar bestaat de menselijke werkelijkheid uit drie systemen, mensen denken en leven in drie systemen tegelijk, in de vorm van drie kennissystemen, drie stabiliteitslagen in de cultuur voor waarnemen, handelen en sturen ter nesteling van de emoties angst, boosheid en verdriet. Als die systemen echter niet worden onderscheiden, leven we in de cultuur van verdwaling, omdat ons beeld van de werkelijkheid onvolledig en onjuist is. Een ander symptoom van culturele verdwaling is het gebrek aan culturele ondersteuning voor de zelfontwikkeling van mensen. Er wordt beweerd dat mensen problemen hebben en dat ze best in staat zijn die zelf op te lossen. Dat kunnen mensen ook wel zelf, beweert Arnold Cornelis, maar niet zonder culturele ondersteuning. Nog een symptoom van de culturele verdwaling is dat men vergeet de sturingsvragen te stellen. De dominante cultuur zegt, je moet praktisch zijn, vooruitkijken is koffiedik en achteruit kijken is piekeren. Dus vergeten we de sturingsvragen te stellen, die gaan over de vragen van de tijd, de tijd verwarren we echter met het horloge dat zegt hoe laat het is.

Zolang de maatschappij steeds meer mensen ziek verklaart en de maatschappij deze mensen afschrijft, leert de maatschappij niet. Want het ligt niet aan de mensen dat ze ziek worden. Het ligt aan de culturele verdwaling. We geven driemaal zo veel uit aan de verwaarlozing van de menselijke geest, dan aan zijn verzorging.

Onze cultuur weet volgens Cornelis niet wat een mens is. De verschillende wetenschappen houden er allemaal een andere definitie van de mens op na. Een definitie kan echter niet empirisch worden weerlegd en daarom ziet Cornelis een definitie als een sturingsbedoeling. Van een sturingsbedoeling kunnen we echter wel zeggen of we het er mee eens zijn. En op die wijze kunnen sturingsbedoelingen in termen van waarden worden bijgestuurd. Dat alle wetenschappen zo verdeeld gescheiden zijn heeft zijn oorzaak in de arbeidsdeling die kennisdeling is geworden, maar dat laatste is een verkeerde ontwikkeling die ons in de culturele verdwaling heeft geleid. Want er is maar een wetenschap. Cornelis verwacht dat in de wetenschap de mens meer als lerende systemen worden gezien, de mens wordt de klant van de wetenschap.

Hoe meer er wordt ondernomen in sociaal maatschappelijk handelen, hoe complexer de maatschappij wordt, wat het geval is, en dat betekent dat problemen steeds meer via leerprocessen moeten worden opgelost. De culturele verdwaling wordt opgeheven als we overgaan naar zelfsturing van het leren.

Arnold Cornelis

Verborgen programma

Een van de begrippen die Cornelis heeft geïntroduceerd is het “verborgen programma”. Cornelis veronderstelt dat ieder mens een verborgen programma heeft dat hij wil uitvoeren. “Een kind komt huilend op de wereld met die ene vraag ‘mag ik mijn verborgen programma uitvoeren?’ “. Het verborgen programma is een programma om te leren in de tijd. Wordt ons programma beknot dat ervaren we dat als verdriet, wordt ons programma uitgebreid, dan ervaren we dat als geluk. Hoe meer mogelijkheden voor de ontwikkeling en uitbouw van ons verborgen programma, hoe meer geluk. Als ons programma wordt uitgebouwd, dan houdt dat tevens in dat er meer geleerd kan worden. Ook de innovaties en vernieuwingen in de maatschappij kunnen alleen voortkomen uit de ontwikkeling van verborgen programma’s van mensen.

Identiteit, filosofie en vorming

Een mens ontwikkelt in zijn levensloop een eigen identiteit volgens de logica van het natuurlijk leerproces. Als een individu een zelfsturende identiteit heeft opgebouwd, in zijn latere levensfase, dan heeft een individu een zelfsturing ontwikkelt met een eigen logica, waarvan hij zichzelf in de communicatie bewust wordt. De zelfsturende identiteit is dan intelligenter dan zijn omgeving, intelligenter dan de sociale structuren, wat hem in staat stelt die sociale structuren bij te stellen in de richting van meer mogelijkheden voor de ontwikkeling van menselijke programma’s. Ook kan deze zelfsturende logica als model dienen voor jongere mensen. In de communicatie kan dat logische model worden overgedragen en dit kan tevens een zingeving inhouden.

Het is volgens Cornelis niet goed voor een mens om alleen maar specialist te zijn. Voor de zelfsturing van het leven leven en de verdere uitbouw van het verborgen programma wil iedere specialist er ook filosoof bij zijn, door de verbinding met het groot communicatief systeem. De zelfstuurder wil dat de specialist de informatie vertaalt naar communicatie, de zelfstuurder wil weten welke nieuwe mogelijkheden uit de nieuwe kennis voortvloeien. Daarbij richt de specialist zich tot het verborgen programma dat de zelfstuurder, of een groep, bezig is te ontwikkelen.

De opbouw van een zelfbeeld en wereldbeeld is voor ieder mens van belang. Het vormt voor een mens zijn filosofie, vergelijkbaar met het dashboard van de auto, dat het stuursysteem vormt van de auto. Het zelfbeeld en het wereldbeeld moeten we kunnen overzien als een geheel om tot zelfsturing te komen. In het zelfbeeld en wereldbeeld dat een mens zichzelf vormt, zitten ook veel meer mogelijkheden dan in het gestandaardiseerd kennissysteem waarin we werken. In het nieuwe onderwijs is ook aandacht nodig voor deze wijze van vorming, waar een kind zijn carrière blijvend wat aan heeft en voorbereid wordt op deelname aan een maatschappij die van mensen verlangd dat ze zichzelf kunnen sturen. De rol van de docent is hierbij communicatief.

In al deze drie gevallen klimt een mens op tot het hogere logische niveau van de communicatieve zelfsturing, waarbij de individuele mens (de stabiliteitslaag van het natuurlijk systeem) en de maatschappij (de stabiliteitslaag van het sociaal regelsysteem) elkaar vinden. En in al de drie gevallen gaat het in wezen om de opbouw van een zelfbeeld en wereldbeeld om tot die zelfsturing te komen, in een bewust of meer onbewust leerproces.

Communicatieve zelfsturing en de Vertraagde Tijd

Steeds zien we dat zelfsturing en communicatie hand in hand gaan. De communicatie ondersteunt de zelfsturing. Communicatieve zelfsturing is bij Cornelis een stabiliteitslaag, die stabiliteitslaag groeit naarmate:
- de maatschappij meer bewust wordt van waarden, waarden worden achteraf geformuleerd in een communicatief leerproces waarbij gesproken worden over bedoelingen van handelen.
- de sociale structuren worden bijgesteld in de richting van waarden en meer mogelijkheden voor de menselijke programma’s.
- de wetenschap meer begrippen ontwikkeld die de deelkennis integreert, waarbij mensen als lerende systemen worden gezien, en die op waarden zijn georiënteerd.

De kennis neemt bovendien toe, er is sprake van een versnelde ontwikkeling van de kennis en verandering van de menselijke omgeving. Om die versnelling bij te houden moet een mens vertragen om zelfsturend te blijven. Dat komt op een filosofische manier tot uiting. Terwijl we de herhaalbare taken aan de computer afstoten en omdat de computer zo snel is, houden mensen tijd over, tijd om na te denken. Mensen kunnen in de Vertraagde Tijd hun zelfsturing steeds opnieuw herzien en denken. In de Vertraagde Tijd kunnen nieuwe mogelijkheden worden bedacht en kan ook worden voorzien, als mogelijkheid, wat voorkomen moet worden.

Leren

Volgens Cornelis verandert de wereld steeds sneller. Maar veranderingen zonder leren, worden door mensen ervaren als bedreigend. De werkdruk loopt op, mensen ervaren stress, en als er vervolgens geen tijd is om te leren, bestaat het risico dat we van ons verborgen programma afraken en depressief worden. Beter is dus dat veranderingen worden voorzien en dat men erop kan anticiperen.

Cornelis beschrijft in zijn werk “Logica van het gevoel” de logica van het natuurlijk leerproces. Hij geeft hiermee weer hoe het leren te werk gaat. Ieder mens leert volgens deze wijze, Cornelis zet het tegenover scholing, als sociaal georganiseerd leren. Met de logica van het natuurlijk leerproces ontwikkelt de mens een identiteit, kan een mens creatief worden en intelligenter dan zijn omgeving.

Het beste is “zelfsturing van het leren”, dat gaat nog een stap verder. Leren is veel te belangrijk om aan het toeval over te laten, daarom moeten we komen tot zelfsturing van het leren, zowel bij het individuele leren, als in het sociale leren van de wetenschap. Het individu brengt daarmee zijn verborgen programma het best tot ontwikkeling.

In de wetenschap is het zoeken daarbij belangrijker en geeft meer voldoening dan het vinden zelf. Dus de vraag is hoe zoek je? Anderen kunnen daarbij als voorbeeld dienen, de wijze waarop anderen succesvol waren in het sturen van het leren kan worden overgenomen, het wordt een model voor anderen hoe je zoekt, die in de communicatie kan worden overgedragen. Ook kunnen mensen die geleerd hebben hun eigen onderzoek te sturen, anderen helpen, ook weer communicatief, bij de zelfsturing daarvan.

Bij het individuele leren gaat het meer om de vraag wat je wilt leren, dus om kiezen wat je wilt leren.

Organisatie/bedrijf

Communicatie zelfsturing is ook van toepassing op het niveau van de organisatie.

“Hoe meer een sociaal systeem is gedecentraliseerd, hoe intelligenter dat systeem wordt. Het meest gedecentraliseerde systeem is dat van de communicatieve zelfsturing. Het aantal beslissingspunten voor besturing wordt een veelvoud door de communicatie en zelfsturing van de mensen. Daarmee wordt bereikt dat de mens niet meer het eindpunt is van een beslissing, de doelgroep van de bevelen en de regelsystemen, maar het vertrekpunt en minstens het noodzakelijk punt van toetsing om bij te stellen en fouten te verwijderen uit het systeem.” (Arnold Cornelis, De Vertraagde Tijd)

Het besturen van de toekomst houdt in dat mensen geleerd wordt zichzelf te sturen. Ze zijn dan ook verantwoordelijk voor hun eigen fouten. Als je zelf stuurt, dan kun je de schuld niet meer geven aan een ander (Arnold Cornelis, de Vertraagde Tijd).

Ook mogen mensen baas in eigen brein zijn, mensen mogen spreken. Dit in tegenstelling tot vroeger, toen mensen moest gehoorzamen en niet geleerd werden zichzelf te sturen en te spreken. De werknemer dacht “de baas weet het”, ze werden extern gestuurd, terwijl de baas het niet altijd weet en ook niet kan weten. Bestuurders kunnen juist leren van de mensen die tot een zelfsturende identiteit komen. Bekwame bestuurders omringen zich met mensen die slimmer zijn dan zichzelf. Daar worden de bestuurders zelf ook slimmer van.

Iets soortgelijks geldt voor de automatisering. Vaak weten alleen de mensen op de werkvloer wat tot de routine behoort en wat niet. Wat tot de routine behoort kun je automatiseren. Vaak is ook duidelijk wat de vraagstukken van beleid zijn, ook al zijn deze wellicht nog niet beantwoord. Er is dus een communicatie tussen de programmeur en de kenniswerker waar beide wel bij varen, de programmeur weet wat geautomatiseerd kan worden, de kenniswerker wordt ontlast van de herhaalbare arbeid en krijgt meer inzicht in de beleidsvragen.
Ook de vergaderingen en overleggen in een organisatie krijgen een andere karakter. De aandacht verschuift naar het leren van de medewerkers en naar de sturingsvragen.

Oudere werknemers kunnen hun jongere vakgenoten coachen bij hun zelfsturing. In de vergrijzing ziet Cornelis geen probleem, het is weer een symptoom van de culturele verdwaling, want het gaat om mensen die over sturingsinzicht beschikken en daar is juist steeds mee behoefte aan. Het gaat in wezen om de stabiliteitslaag van de communicatieve zelfsturing.

De logica van het natuurlijk leerproces

Cultuur

De communicatie vervangt het werken met regels. De regels worden tot een infrastructuur voor de ontwikkeling van mensen. Als dingen complexer worden, volstaat het werken met regels niet. Met regels kunnen dingen niet worden voorzien, en kan er niet worden geanticipeerd op veranderingen. Want kenmerk van een regel is juist dat die niet verandert. Een ander nadeel van het werken met regels, is dat met een regel ook de fouten worden vastgelegd. Wat wel werkt in een wereld die snel verandert is communicatieve zelfsturing. Fouten worden vermeden door zaken communicatief te toetsen.

De verandering is ook een verandering in mensbeeld. In de 20e eeuw werd vooral gewerkt met regels, mensen werden extern gestuurd en moesten gehoorzamen. Mensen werd niet geleerd om zich zelf te sturen, want dat was helemaal niet de bedoeling in de 20e eeuw. Het gevoel werd gezien als subjectief en de emoties als irrationeel, en dus beide ongeldig. Door de communicatie, die mogelijkheden toont en mensen helpt in hun zelfsturing, verandert dit. In plaats van de zwijgende en gehoorzame mens komt de zelfsturende en creatieve mens.

Niet de maatschappij staat centraal, maar het individu. De maatschappij is slechts een instrument voor de zelfontwikkeling van individuen. Maar de maatschappij heeft wel de macht, het individu staat kwetsbaar tegenover de maatschappij. Het gevaar bestaat nog steeds dat de sociale structuren, de regelsystemen het overwicht houden over de individuen. Als dus de regelsystemen blijven domineren. Dat komt tot uiting in het gegeven dat de sociale structuren blijven bestaan, terwijl het individu kan ophouden te bestaan of het individu onderworpen wordt. Het individu kan ziek worden, de macht onderwerpt het individu, en het lichaam moet de last dragen. Terwijl de vernieuwingen en innovaties in de maatschappij altijd afhankelijk is van de zelfsturende individuen, want de sociale structuren kunnen uit zichzelf niet leren.

Het gaat erom om mensen te leren om zichzelf te sturen. Zelfsturing is vrijheid en zelfsturing is ook de enige grondslag voor gezondheid en geluk.

Cornelis veronderstelt een logisch onbewuste in ieder mens. Ieder mens heeft de capaciteit om de cultuur bij te sturen.

Mensen zijn niet gek, mensen corrigeren vanuit de logica van het gevoel de tekortkomingen van de cultuur. Als mensen gek gedrag vertonen, dan laten ze slechts de tekortkomingen van de cultuur zien.

Eerst worden de mensen ziek.

Eerst verandert het denken, dan pas de wereld.

Cornelis verwijst in “Logica van het Gevoel” naar Nietzsche. In het werk van Nietzsche domineert volgens Cornelis de gedachte dat waarden niet opgedrongen kunnen worden. Cornelis betoogt echter dat er ook waarden zijn die communicatief zijn (en in het werk van Nietzsche wordt overigens ook over dat soort waarden gesproken). Waarden zijn volgens Cornelis de belangen van iedereen en waarden ontstaan als gevolg van een communicatief leerproces waarbij over de bedoelingen van handelen wordt gesproken. Waarden kunnen dus pas achteraf worden onderkend.

Cornelis omschrijft zijn eigen theorie als een “sociale plattegrond van de werkelijkheid om de weg te kennen in het logisch systeem dat we voor elkaar hebben bedacht”. Het gaat om een kennistheorie, waarbij het gevoel als bron van kennis en als stuursysteem geldt. Een cultuur is goed als de emoties angst, boosheid en verdriet zich kunnen nestelen en in Cornelis’ theorie heeft onze cultuur daarvoor drie stabiliteitslagen ontwikkelt, waarbij de derde, die van de communicatieve zelfsturing nog in opbouw is.

Communicatieve zelfsturing houdt niet in dat de wereld voor iedereen hetzelfde is, maar ook niet dat voor iedereen de wereld verschillend is.
De nadruk op waarden, als de belangen van iedereen, en de ethiek als respect voor de zelfsturing van anderen, maakt dat mensen met elkaar kunnen leven. Het vroegere individualisme, met iedereen een eigen mening is gedoemd te mislukken, daarvoor komt de communicatie in de plaats. Je kunt wel een eigen mening hebben en dat is goed, maar niet om je af te zetten tegen de politiek of tegen anderen. In de communicatie groeien mensen juist naar elkaar toe. Communicatieve zelfsturing geeft een nieuwe betekenis aan het begrip waarheid. Deze is niet voor iedereen hetzelfde, maar is in het perspectief van communicatieve zelfsturing variabel en veelvoudig in de levensloop van de mens en sociaal divers afhankelijk van het verborgen programma dat een mens of groep bezig is te ontwikkelen. Waarheid is dan een relationeel en communicatief begrip, waarbij de zender rekening houdt en inzicht heeft in het verborgen programma van een mens, en waarbij bij de ontvanger pas sprake is van communicatieve waarheid als hij zich herkent in het systeem van de mogelijkheden die in de boodschap van de zender zijn neergelegd.

Een reactie die ik soms krijg als ik iets vertel over de theorie van Cornelis, is dat het voor mensen meer een kwestie is van “vraag en aanbod”. Dat is natuurlijk een enorme versimpeling. Heel het menselijk kennisverhaal, de vraag wat waardevol is voor een mens, de wetenschap en de vragen van sturing en beleid blijven dan buiten beeld.

Sociaal beleid

Het is de bedoeling dat zoveel mogelijk mensen mee kunnen doen aan de maatschappij, in regulier werk of in andere vormen van deelname of invulling van een zingevend bestaan.

Cornelis schrijft op p. 98 in Logica van het Gevoel:
“Een kennissysteem is des te meer ‘waar’ en des te krachtiger, met een groter bereik van geldigheid, naarmate meer negatieve terugmelding in het systeem is voorzien en van tevoren, als intelligentie, is gecorrigeerd. Daar voeg ik dan nog een sociaal kenniscomponent aan toe. Want negatieve terugmelding, in de betekenis van fouten, tegenslagen en rampen zijn niet gelijkmatig verspreid over het sociaal systeem. Ik definieer een sociaal kennissysteem als des te sterker en geldiger naarmate het toestaat dat juist de zwakken in de samenleving, kinderen, vrouwen, zieken en bejaarden, binnen dat systeem kunnen bestaan. Een sociaal kennissysteem waarin veel uitvallers aanwijsbaar zijn laat zijn eigen ongeldigheid zien door de ontregeling van mensen in het systeem.”

Eerst worden de mensen ziek volgens Cornelis, maar naarmate de cultuur meer ondersteuning biedt aan mensen, en naarmate het onderwijs beter voorbereid op de moderne maatschappij, dus als de culturele verdwaling wordt opgeheven, zal dat beter worden. We geven momenteel driemaal zoveel uit aan de verwaarlozing van de menselijke geest, dan aan zijn verzorging.
Ook mensen die niet mee kunnen komen in reguliere vormen van deelname aan de maatschappij, jonge mensen die de logische drempel naar het maatschappelijk systeem niet kunnen maken (bijvoorbeeld omdat het huidige onderwijs daar nog te weinig op voorbereid), willen vorm geven aan een zingevend bestaan. Veel mensen met psychiatrische problemen, hebben zorg nodig. Die mensen zijn echter niet gek, alsof er iets met hun geest aan de hand aan, ze laten volgens de kennistheorie alleen de tekortkomingen van de cultuur zien, zoals een virus ook bepaalde ziekteverschijnselen bij mensen laat zien. De bedoeling van de zorg is niet om mensen afhankelijk te maken, maar zelfstandig en zelfsturend. Er wordt niet vergeleken met hoe andere mensen zijn, het gaat om de persoon zelf en om zijn kenmerken. Aan het eind van het ontwikkelingstraject van ieder mens ligt de zingevingsvraag. De zingeving wordt in het zelfbeeld bedacht en in de zelfsturing uitgevoerd.

Het gaat om communicatieve zelfsturing. De zelfsturing van mensen moet altijd worden gezien in relatie tot de communicatie. Als van mensen zelfsturing geëist wordt, maar zonder culturele ondersteuning, zonder communicatie, zonder coaching, dan gaat het niet lukken. Maar met de communicatie is zelfsturing heel goed mogelijk, ook op jongere leeftijd. De mens doorloopt in zijn leven drie fasen, drie lagen van culturele stabiliteit, in iedere levensfase wordt daarbij een emotie genesteld, eerst angst, dan boosheid en dan verdriet, waarbij de emotie steeds wordt omgezet in zelfsturing. Pas in de latere levensfase ontwikkelt de mens een zelfsturende identiteit, met een eigen sturingslogica, dan pas is men intelligenter dan zijn omgeving. Dan wordt een mens zender in het communicatief systeem. En om aan het maatschappelijk systeem bij te dragen, op het niveau van communicatieve zelfsturing, is nodig dat een mens over een emotioneel zelfbeeld beschikt waarbij een wereldbeeld is opgenomen, om zichzelf te kunnen sturen. Het nieuwe onderwijs krijgt die aanvullende taak erbij om in die wijze van vorming te voorzien.

De keuze is tussen zelfsturing of extern gestuurd worden. De nieuwe tweedeling is niet tussen mensen met geld en mensen zonder geld, niet tussen mensen met werk en mensen zonder werk, maar tussen mensen die zichzelf sturen en extern gestuurden.

Politiek

Politiek gaat steeds meer om het communiceren van waarden en het mogelijk maken van de zelfsturing van mensen als die zich in die waarden herkennen. Waarden zijn bijvoorbeeld goed onderwijs, de zorg voor het milieu, de rechten van de mens en ook zelfsturing.

De politiek wil vaak reorganisaties doorvoeren, vaak mislukt dat echter of heeft dat weinig resultaat. Dat komt volgens Cornelis, omdat de zelfsturing van de vakmensen er niet in de plannen wordt betrokken. Er verandert slechts een deelaspect van de organisatie, de hele logica van de organisatie veranderd echter niet, en daarom werkt het niet. De echte reorganisatie zit in het hoofd, van de mensen die in die organisaties werken. Cornelis verwacht daarom meer van interne reorganisaties, en als men extern wil reorganiseren moet ten minste rekening worden gehouden met de zelfsturing van de vakmensen.

Cornelis introduceert ook het drie-raden-model. In plaats van democratie als ongedeeld begrip kunnen, op vergelijkbare wijze als de scheiding der machten, drie vormen van beraad in drie culturele lagen van stabiliteit onderscheiden worden. Ten eerste is er de raad van inspraak, oftewel de politieke inspraak. Dit komt tot uiting in het stemgedrag. Men kan stemmen of het met plannen eens is. Dit betreft het natuurlijk systeem, het zijn de mensen, die als burgers hun stem uitbrengen. Ten tweede de raad van bestuur. Hier gaat het erom te bekijken of de bedoelingen van de plannen realiseerbaar zijn. De deskundigheid komt aan bod en het rekenen met kosten. Er komt een aangepast plan, dat wel realiseerbaar is.Maar dan komt er nog een derde beraad aan te pas, de raad van beleid. Het logisch kenmerk hiervan is dat ook met andere zaken rekening wordt gehouden, zoals werkgelegenheid, bezuiniging, afweging inzake economische ontwikkeling, in het algemeen is de grondslag voor beleid het sturingsinzicht en de houding ten opzichte van waarden en kwaliteit.

Onderwijs

Ik vat hier de zeven belangrijkste inzichten van Cornelis samen over onderwijs.

Opvoeden en leren in de 21e eeuw houdt volgens Cornelis in:

  1. Een kindvolgende aanpak. Dat houdt bij Cornelis in dat het kind in staat wordt gesteld zijn interne klok te volgen, als zelfsturing van het eigen programma. Liefde is inzicht en zorg voor het verborgen programma van een kind. Liefde is ook de logica achter alle onderwijs. De vraag is niet hoe ver een kind gevorderd is volgens de externe klok en de standaarden, maar hoe ver het kind gevorderd is, volgens de interne klok, in zijn eigen programma.
  2. De rol van de docent is niet het bijbrengen van informatie, maar is communicatief, de bewustwording bij het kind van een emotioneel zelfbeeld waarin de informatie past. Het is de bedoeling dat het kind zelf op zoek gaat naar de informatie via de computer.
  3. Alleen zelf leren is leren. Dat het mogelijk zou zijn om een kind iets te leren van buiten naar binnen, is een onderwijsopvatting uit de vorige eeuw. Kinderen (en mensen in het algemeen) doen dingen niet omdat ze moeten, maar omdat ze er plezier in hebben. Waar plezier is, is leren.
  4. Opvoeden houdt in het helpen aanleggen met een denksysteem. De geest van het kind wordt geformatteerd, zodat het informatie kan opnemen. Alleen al door te spreken en te oefenen in de moedertaal ordent een kind zijn geest.
  5. In een computerprogramma kan een kind zelfsturend leren wat goed en fout is. Een proefwerk kan worden gemaakt als zeker is dat het kind de stof beheerst. Er zijn geen onvoldoendes meer en de docent hoeft niet steeds dezelfde fouten te corrigeren. Er blijft tijd over voor een goed klassikaal verhaal en zelfs voor de vragen van angst, boosheid en verdriet.
  6. Vorming is nodig om een kind/leerling een basis te geven waar het in zijn maatschappelijke carrière blijvend wat aan heeft. Het betreft geen algemene vorming, maar maatwerk, het gaat om het oplossen van de emotionele paradoxen tussen zelfbeeld en wereldbeeld en de rol van de taal in alle goed onderwijs. Als het kind leert spreken over de verschillende vakken die als wereldbeeld onderwezen worden, worden, in samenspraak met de docent, de emotionele paradoxen tot een oplossing gebracht. Het kind verwerft daarbij een emotioneel zelfbeeld voor zelfsturing.
  7. Het succes wordt niet afgemeten aan (strenge) standaarden waaraan een kind moet voldoen, maar aan de mate waarin angst omgezet wordt in zelfsturing.

Een aantal citaten uit zijn werk:

“Hoe strenger de standaarden, hoe meer de klok extern reguleert, hoe meer uitvallers en hoe meer kandidaten in het speciaal onderwijs belanden. Alsof de school de manier is om de mate van afwijking te definiëren.”

“Dat alle docenten verschillend zijn en ook alle kinderen is sinds lang bekend. Waar komen toch al die regelaars vandaan? Het is een denkfout van vroeger, dat de intelligentie buiten ligt, in de wereld, terwijl intelligentie het vermogen tot zelfsturing is als ontwikkeling van het eigen kennissysteem, waarbij iedereen moet helpen.”

“Ineens is een kind daar, met zijn eigen gedachte en je denkt als opvoeder: ‘Heb ik hem of haar dat geleerd?’ Welnee het kind heeft het zelf geleerd, maar jij was daar, communicatief als een aanwezig veld van mogelijkheden. Het kind zal je nog meer verbazen, straks begrijp je via het kind zelfs beter jezelf.”

Een stukje cultuurgeschiedenis

De politiek wilde de macht behouden maar met nieuwe middelen. Kennis is macht. Denkfout.

Romantiek

Wat is een mens?

Cornelis ziet de een mens als een wezen dat zijn eigen leren zelf stuurt.

Tot slot

De boeken van Arnold Cornelis worden uitgegeven door Stichting Essence, ondergebracht bij Uitgeverij Boom (de afbeeldingen hieronder linken door naar informatie over de publicaties op de website van uitgeverij Boom). Het is geen makkelijke materie om te lezen, het vergt bestudering. Ik hoop dat dit artikel bijdraagt aan begrip en het het lezen van zijn werk makkelijker maakt. Zijn hoofdwerk is vooral theoretisch, zijn twee kleinere werken, “De Vertraagde Tijd” en “Rustpunten van de Geest” vind ik prachtig geschreven. De boeken zijn fraai uitgegeven en zijn afzonderlijk te lezen.

Nietzsche schrijft in het aforisme “Privé- en wereldmoraal” (aforisme 25, Menselijk al te menselijk) het volgende: “In elk geval moet er wanneer de mensheid zich niet door zo’n bewuste integrale regering te gronde wil richten, eerst een alle traditionele normen overtreffende kennis van de voorwaarden voor het verschijnsel cultuur, als wetenschappelijke maatstaf voor oecumenische doeleinden, zijn opgedaan. Hier ligt een immense taak voor de grote geesten van de volgende eeuw”. Arnold Cornelis was zeker een van deze grote geesten, waar Nietzsche in dit aforisme op doelt.

literatuur:

- A. Cornelis, Logica van het Gevoel, Stichting Essence
- A. Cornelis, De Vertraagde Tijd, Stichting Essence
- A. Cornelis, Rustpunten van de Geest, Stichting Essence
- F. Nietzsche, Menselijk al te menselijk, De Arbeiderspers
- M. Nussbaum, Mogelijkheden scheppen (vertaling uit het Wngels, orginele titel “Creating Capabilities”), Ambo

De demagogie van Peter Sloterdijk

Ik wil in dit artikel enkele centrale ideeën van Peter Sloterdijk becommentariëren en de zwaktes van zijn betoog laten zien, een betoog dat vooral steunt op een demagogische stijl. Ik wil ook duidelijk maken dat Sloterdijk’s ideeën geenszins in de traditie van Nietzsche staan. In tegendeel, de ideeën van Peter Sloterdijk staan in scherp contrast met het werk van Nietzsche, wat ik laat zien door te verwijzen naar enkele aforismes van Nietzsche, waarin Nietzsche zijn lezers o.a. opmerkzaam maakt en waarschuwt voor gevaar. Ik sluit af met enkele opmerkingen om Sloterdijk als denker en publieke figuur te karakteriseren.

“De crisis”

Sloterdijk probeert met zijn publicatie “Je moet je leven veranderen”, de lezer, direct aan te spreken. En dan ook meteen maar met de meest gebiedende moraal. De crisis zou mensen gebieden dat ze hun leven moeten veranderen. Hij vergelijkt met de ervaring die Rilke had bij de aanschouwing van een stenen beeld. Maar die vergelijking gaat totaal mank. Een beeld in steen is een kunstwerk, terwijl een crisis ongeveer het omgekeerde is. Sloterdijk heeft het over “de crisis”, maar over wat voor crisis heeft hij het dan eigenlijk? In mijn optiek gebruikt Sloterdijk “de crisis” om zijn eigen verhaal door te kunnen drukken. En door je te onderwerpen aan de crisis, werkt de kwaal als remedie, dat kan niet goed zijn. Sloterdijk lijkt op een arts die zijn patiënt een kwaal voorschrijft, terwijl deze niet ziek is. Want Sloterdijk richt zich tot mensen die kerngezond zijn.

Arnold Cornelis betoogt echter dat er helemaal geen crisis is, maar dat de vorming van het nieuwe systeem, dat van de “communicatieve zelfsturing” de wereld destabiliseert. Dat is in het verleden ook gebeurt met de vorming van een nieuw systeem, wat Cornelis in zijn werk beschrijft, en dat is nu weer het geval. Nu gaat het echter om de vorming van een systeem dat de beide eerdere systemen, of stabiliteitslagen in de cultuur, zoals Cornelis ze noemt, op elkaar afstemt.

De uitwerking van een handelingswijze die door Sloterdijk wordt gepropageerd is ongeveer het tegenovergestelde van wat Nietzsche schrijft in het aforisme “het grootste gevaar” (aforisme 76, uit De Vrolijke Wetenschap). Nietzsche schrijft hier van “wij anderen”, die “de uitzonderingen” zijn en ook het gevaar vormen voor het voortbestaan van de mensheid. Nietzsche spreekt hier ook van de “tucht van het hoofd”, wat een gezamenlijke inspanning betreft van de overgrote meerderheid van de mensen. Sloterdijk spreekt echter van een “trainingsprogramma”, dat je moet vervangen door een beter trainingsprogramma. Alsof mensen een “trainingsprogramma” hebben. Met het individuele trainingsprogramma verdwijnt “de tucht van het hoofd” naar de achtergrond. En in Sloterdijk’s visie is helemaal geen sprake van de mogelijkheid van “anderen” en “uitzonderingen” waar Nietzsche over schrijft in dit aforisme. Bij Sloterdijk willen de mensen die er een trainingsprogramma op na houden en aangetrokken worden tot een verticale spanning zich vervolgens laten gelden. Terwijl Nietzsche juist schrijft dat het positieve aan anderen is, dat zij uitzondering blijven en niet regel willen worden. Merk ook op dat Nietzsche in dit aforisme schrijft over een “behagen in de waanzin” bij literatoren en kunstenaars en spreekt van “overlopers”.

Sloterdijk heeft het over de aantrekkingskracht van een “verticale spanning”. Het is zo dat waarden vervlakt zijn, dat verklaart wellicht de aantrekkingskracht van een “verticale spanning”. Maar wanneer een “omkering van waarden” plaatsvindt, een belangrijk thema in Nietzsche’s werk, zal er weer een soort “berglandschap” van waarden ontstaan.

Die “verticale spanning” heeft ons verder niks te bieden, in tegendeel, het is een “spanning” en in die zin niet bevorderlijk voor de gezondheid. Spanningen leiden tot psychoses en waanzin, en tot collectieve waanzin als het contact ook spanningen tot anderen gaat betreffen, dit is het gevaar waar Nietzsche over schrijft. Dan kan een spanning nog wel “verticaal” heten, maar dat maakt haar nog niet meteen positief en wenselijk. Maar als het als positief wordt gezien leidt het tot “leren van waanzin” en zelfdestructie, dan gaat het dus helemaal verkeerd. Sloterdijk schrijft echter “Hoger dan je zelf moet je bouwen” (zelfdestructie dus), maar wat bedoelt Sloterdijk in deze context met “hoger”, dat wordt nergens duidelijk in zijn betoog. Daar laat hij zich niet over uit en het betekent vermoedelijk iets, zo kan men zich voorstellen en Sloterdijk van verdenken, wat zeer onwenselijk is voor mensen. Wilde Sloterdijk ook niet een boek schrijven over “de ecologie van het lijden”?

Met die “verticale spanning” raakt men onthecht aan de aarde. En het aardse leven, dat is bij Nietzsche juist de “hoogste waarde”, Nietzsche adviseert ook “trouw te blijven aan de aarde”. Hiermee zegt Nietzsche veel meer dan Sloterdijk. Sloterdijk laat zich over de betekenis van zijn ideeën nergens uit in zijn werk, dat is zijn zwakte, hij poneert slechts dingen en wijst mensen een richting op. Hij werkt met woorden als “moeten”, Nietzsche niet. Nietzsche communiceert en toont mogelijkheden.

Het gaat daarbij niet om een “trainingsprogramma” en “verticale spanning”, het gaat om “communicatieve zelfsturing” en het “verborgen programma”, waar Arnold Cornelis over schrijft. Als je je aangetrokken voelt tot het werk van Nietzsche en bijvoorbeeld ook de genoemde adviezen, omdat het in je verborgen programma past, is dat communicatie die in de zelfsturing kan worden verwezenlijkt.

“Geld en werk”

Sloterdijk wil de cultuur veranderen door de geldeconomie te veranderen. De reden is daarvoor dat mensen met een uitkering nu profiteren. Sloterdijk spreekt over “inactieven”. Maar moet ontevredenheid ten opzichte van “inactieven” de reden zijn om de hele economie te veranderen en er vervolgens de cultuur er door te laten bepalen? Dat is zo ongeveer de slechtst denkbare reden.

Volgens Arnold Cornelis is de nieuwe tweedeling niet tussen mensen met werk en zonder werk, niet tussen mensen met geld en zonder geld, maar tussen mensen die zichzelf sturen en “extern gestuurden”. Nietzsche spreekt van “de veel-te-velen”, de “mislukkelingen” en “het ziek gebroed” om een bepaalde ontevredenheid aan te duiden. Daarentegen is Nietzsche helemaal niet zo negatief over “inactieven”, zoals hij beschrijft in het aforisme “Ten voordele van de nietsdoenden” (aforisme 284, in Menselijk, al te menselijk), hij zet daarbij de werkeloze mens tegenover de actieve, het gebrek van de actieve mens is dat het hen ontbreekt aan hogere (individuele) activiteit (aforisme 283, Menselijk al te menselijk). Hij maakt overigens nog wel een onderscheid tussen “nietsdoenden of leeglopers” en “luiaards”, en voor die tweede groep hij heeft niet zo veel positiefs te zeggen. De “extern gestuurden” betreft een hele andere categorie dan waar Sloterdijk het over heeft. Sloterdijk scheert alle mensen met een uitkering over een kam en ziet er een reden in om te stoppen met het betalen van belasting en in plaats daarvan te werken met een systeem van het geven van geld aan maatschappelijke organisaties.

Sloterdijk vindt dat er te veel geconsumeerd wordt en wil dat mensen in plaats van te consumeren geld gaan weggeven, wat mensen trots zou maken. Maar de kritiek op de “consumptiemaatschappij” heeft vooral te maken met de vervuiling van het milieu. De economie beweegt zich echter in de richting van duurzaamheid. Sloterdijk redeneert dat bij het geven van geld aan maatschappelijke organisaties, mensen zouden willen weten wat er met hun geld gebeurt en invloed willen uitoefenen op de organisatie. Dat zou mensen trots maken. Sloterdijk spreekt over “geven”, maar geld geven is geen geven, zeker niet als je vervolgens invloed wil hebben. Bij het schenken van geld aan goede doelen, als donateur of als sponsor, speelt alleen de vraag of het een goede organisatie is en of je hun werk wilt steunen. Elke eis aan of invloed op die organisatie, is een belasting voor die organisatie. Sloterdijk´s ideeën om te stoppen met het betalen van belasting en de geldeconomie te veranderen heeft dus het belasten van organisaties tot gevolg.

Nietzsche schrijft ook iets over het gevaar van zo´n revolutie. “Het gevaar doet zich voor als de idealen onpersoonlijk worden.” schrijft Nietzsche (aforisme 454, Menselijk al te menselijk). “De revolutionairen uit onpersoonlijk belang kunnen alle verdedigers van het bestaande als persoonlijk belanghebbend beschouwen en zich daarom hun meerdere voelen.”. Sloterdijk’s “revolutie van de gevende hand” kan gezien worden als een radicalisatie van het gevaar waar Nietzsche hier over schrijft. De “hebzucht” waar mensen tegen ageren en waar Sloterdijk kritiek op heeft en waar “generositeit” tegenover wordt gesteld, met dit laatste worden de idealen onpersoonlijk (en ook door andere vormen van onbaatzuchtigheid, waar Nietzsche over schrijft in het aforisme), en Nietzsche ziet hierin het gevaar. Die hebzucht is echter slechts een gevolg van perverse prikkels en beloningen die mensen wordt aangeboden en in het vooruitzicht wordt gesteld. Die perverse prikkels en beloningen daar zou dus wat tegen gedaan kunnen worden. Als de idealen onpersoonlijk worden, krijg je dus, met zo´n revolutie, een heel ander systeem. Mensen willen dan op andere vlakken iets afdwingen, zoals reeds gesteld, in plaats van belastingen krijg je waarschijnlijk belasting van organisaties en mensen. Dat geven van geld is niet zo “genereus” als het lijkt en de vraag hoe mensen eerst aan dit geld komen, wordt achterwege gelaten door Sloterdijk.

“Beschaving”

Volgens Sloterdijk beschaven mensen elkaar als stenen in een rivier. Dit is een vreemd gebruik van het begrip beschaving. Daaronder versta ik eerder een opvoedingsuitdaging om de hoge cultuur tot bloei te brengen. Of er wordt mee aangeduid het opkomen en de zorg voor de zwakkeren of het bevorderen van beschaafd gedrag. Sloterdijk doelt echter meer op het bevorderen van gemeenschappelijk gedrag en denken in een min of meer willekeurige richting, zonder rekening te houden met wat wenselijk is. Maar wat als enkele stenen in de rivier zich niet laten beschaven? Dan zijn dus deze stenen, deze individuen, de individuen die het beschavingsproces tot een eind brengen, waarbij dus niet beschaving het eindresultaat is, maar eerder, zo kan men voorstellen, verharding en verruwing door middel van aanpassing.

Dan nog enkele opmerkingen ten aanzien van de esthetische opvattingen van Sloterdijk. Onze hele leefomgeving zou gedesigned moeten worden. In het Engels heeft het woord design een hele brede betekenis. In het Nederlands maken we onderscheid tussen ontwerp en design. Sloterdijk heeft het niet over ontwerp, maar over design. En wat Peter Sloterdijk over muziek zegt daar worden we ook niet bepaald blij van: “performance muziek” (“van Prince tot free jazz”) en spectrale muziek (een genre in de moderne klassieke muziek), als deze “naar nieuwe horizonnen” gaan levert dat onverdraaglijke muziek op, daarvan zijn in de beide genres voorbeelden van te geven.

“Sferen, schuim en immuunsystemen”

Wat Sloterdijk over sferen zegt, valt ook het nodige tegen in te brengen. Een sfeer is niet de enige vorm van zijn. De tegenpool ervan is een vorm van zijn die Han Shan beschreven heeft in Cold Mountain. Cold Mountain is in tegenstelling tot in een sfeer zijn, een eenzame vorm van zijn, eenzaam maar trots, groots en meeslepend.

Sferen mogen dan wellicht immuunsystemen zijn, het zijn niet de enige immuunsystemen, zoals Sloterdijk doet voorkomen. Het schuim als immuunsysteem zou moeten worden vervangen door een ander immuunsysteem (Sloterdijk heeft het over de globale economie als immuunsysteem). Hij vergeet dan echter dat het kennissysteem van een mens een veel belangrijker immuunsysteem is, zoals Cornelis aangeeft, gericht op zelfsturing. Het schuim is bovendien slechts een vorm van zijn en van wonen in geval van woningcomplexen. Dat schuim zal blijven bestaan, zolang mensen die schuimbelletjes creëren. Het schuim kan echter ook gezien worden als beschavingsvorm die een gevolg is van een gebrek aan intieme en/of sociale contacten, waarbij de keuze voor de eenzaamheid niet haalbaar is (vanwege de woonvorm- en cultuur) of men dat niet wil en het niet als mogelijkheid beschouwd wordt. Cornelis schrijft verder nog dat schoonheid een immuunsysteem vormt, het geeft mensen de kracht om weerstand te kunnen bieden aan de bestaande wereld.

“Peter Sloterdijk en zijn grote verhaal”

Het komt mij voor dat Peter Sloterdijk een geloof heeft in de geldigheid/waarheid van de gedachten die hij ontwikkelt en ten toon spreidt. Maar zijn betoog berust vooral op demagogie, zoals ik hierboven heb laten zien.

Sloterdijk’s proza is alleen begrijpelijk en aantrekkelijk voor de lezer die een lichte vorm van waanzin toelaat en als prettig ervaart en het gezonde verstand uitschakelt. Dat, en het gebruik van grootse bewoordingen en gebaren, maakt zijn stijl demagogisch. Daarbij put hij veelvuldig uit een reservoir van vaak zelfverzonnen en nogal lelijke woorden (zoals bijvoorbeeld het woord “inactieven”, dat al genoemd werd). Ook dit werken met zelfverzonnen woorden wordt door Nietzsche bekritiseerd (aforisme 127, “Tegen de taalvernieuwers”, De reiziger en zijn schaduw, Menselijk al te menselijk).

Het is een grote misvatting te menen dat Sloterdijk een soort opvolger is van Nietzsche. Hij jat alleen termen van Nietzsche, omdat hij deze voor zijn eigen betoog kan gebruiken. Maar mensen zouden beter kunnen nagaan hoe die termen passen binnen de filosofie van Nietzsche, in plaats van te denken dat Sloterdijk ermee in de traditie van Nietzsche filosofeert, want dat is geenszins het geval. Sloterdijk wordt vaak getypeerd als Nietzscheaans, ook omdat hij daar zelf aanleiding toe geeft door dus termen over te nemen en ook door zichzelf Nietzscheaans te noemen. Ik heb dus proberen te laten zien dat dit niet opgaat en dat Sloterdijk er wel heel makkelijk mee weg komt.

Sloterdijk refereert vaak aan Nietzsche’s vroege werk, zoals “De Geboorte van de Tragedie”. Het mag waar zijn wat Nietzsche schrijft in dit boek, maar het is richtingsloos. Ontwikkelingen kunnen nog alle kanten opgaan, dus ook in de verkeerde richting en ongewenste ontwikkelingen opleveren. Om dezelfde reden, vanwege de richtingloosheid van de filosofie, heeft Sloterdijk zich laten inspireren door het werk van Deleuze. Dat werk wordt ook gekenmerkt door richtingloosheid, ontwikkelingen kunnen nog alle kanten opgaan. Daarentegen heeft het werk Foucault en Cornelis wel positieve richting.

Nietzsche maakt later, waarschijnlijk mede om deze reden, het statement dat hij alleen nog maar boeken wil publiceren waarvan hij een geweten heeft als een “serafijn”. Sloterdijk is geen aanhanger van het latere werk van Nietzsche, zoals hij kenbaar heeft gemaakt.

Het is overigens interessant wat Nietzsche schrijft in het aforisme “Wijsheid in het lijden” (aforisme 318, De Vrolijke Wetenschap). Dit lijkt mij van toepassing op Peter Sloterdijk. Dit lijkt mij communicatie voor Peter Sloterdijk.

In “Woede en Tijd” schrijft Sloterdijk dat Nietzsche ergens een fout maakt en dat Nietzsche meer kennis over een bepaald onderwerp had moeten hebben. Dit is ressentiment van Sloterdijk ten opzichte van Nietzsche. Sloterdijk’s publicatie “Filosofische temperamenten” kan ook gezien worden als een uitdrukking van resentiment tegen filosofen. De filosofen waar Sloterdijk hier over schrijft zijn allen dood. Als zij nog zouden leven, zouden zij waarschijnlijk bezwaar hebben gemaakt tegen wat Sloterdijk over hen schrijft.

Sloterdijk’s ideeën hebben geen overtuigingskracht in de zin dat het ware en ethische goede kunnen worden herkend, en niet, zoals bij Nietzsche het geval was, om de reden dat de cultuur en de mensen er niet rijp voor zijn. Sloterdijk’s werk geeft aanleiding tot het vermoeden dat hier niet de zelfsturende geest actief is, maar zijn denken eerder een uitvloeisel is van het vermogen om eigen voorstellingen te ontwikkelen waarbij zeer veel kennis wordt verwerkt. Sloterdijk richt zich, met zijn “grote verhaal”, in tegenstelling tot Nietzsche, eigenlijk tot iedereen, hoewel in de eerste plaats tot zijn lezers. Zijn werk is geen communicatie, maar een poging om de hele maatschappij en cultuur te veranderen.

Sloterdijk zegt gewoon in een van zijn reacties: “Ik heb gelijk.”. Als je in het gelijk van je eigen gedachten gelooft, je “grote verhaal” en je redeneringen niet kunt beargumenteren, de geldigheid ervan niet onderzoekt of niet aan kritiek wilt onderwerpen, is dat inderdaad het enige wat je nog kunt zeggen. Het lijkt er sterk op dat Peter Sloterdijk zijn eigen persoon belangrijker vindt dan heel de menselijke cultuur en maatschappijen met heel haar (hun) historische en logische verleden(s). In een conferentie van het ISVW over Sloterdijk, hield Sloterdijk een vaag verhaal over “God worden”. Hij dacht dat hij zelf God kon worden. Dit is op video opgenomen.

In Sloterdijk’s verhaal is geen plaats voor het gevoel, mensen zullen geen grootse en mooie gevoelens en ervaringen hebben, want mensen staan niet centraal in Sloterdijk’s visie. Voor geluk en gezondheid is daarom ook geen plaats in Sloterdijk’s visie. Centraal staat in zijn visie een soort op elkaar betrokkenheid van mensen, mensen zijn slechts “dividuen” volgens Sloterdijk, waarbij de spanningen zeer negatief worden, zo heb ik laten zien, en zo hoog mogelijk worden opgevoerd.

Sloterdijk’s grote verhaal is slechts een “groot verhaal”, als is het dan wel het grootste van alle grote verhalen. Echter een bepaalde niveau van ontwikkeling van de mensheid, de maatschappijen en de cultuur maakt altijd deel uit van een ontwikkeling van de mensheid vanaf het begin, en we zijn niet aan het eind van die ontwikkeling. Die ontwikkeling gaat altijd door, en dat kan niet in een groot verhaal worden gevat, of het grote verhaal vooronderstelt, foutief, dat we aan het eind zijn van die ontwikkeling. Dat is dan ook de zwakte van ieder groot verhaal, wat ook de achterliggende reden is waarom het ongeldig is. Een groot verhaal doet alsof de “geschiedenis is voltooid”, ieder groot verhaal is daarop gestoeld, en daarmee zou er volgens de vertellers een soort grondslag zijn voor het grote verhaal, dat verder geen argumenten meer behoeft. Maar ook die grondslag is dus bedrog, of de betreffende verteller het nou meent of niet.

Vergeet dus het “grote verhaal” van Peter Sloterdijk (en zijn hulpje Bruno Latour), maar lees bijvoorbeeld Michel Foucault en Arnold Cornelis en lees Nietzsche (als je je daartoe aangetrokken voelt), echte filosofen die communiceren en inzichten bieden en wél actueel zijn.

Communicatieve zelfsturing als nieuwe filosofie (kort)

Een verkorte weergave van het werk van Arnold Cornelis

Mensen leren waarnemen, handelen en spreken en daarvoor zijn in de cultureel drie stabiliteitslagen opgebouwd. Het derde systeem, de communicatieve zelfsturing is relatief nieuw en nog in opbouw. Het gaat daarbij om het sturen van het maatschappelijk handelen in de richting van bedoelingen en waarden, dat zijn de belangen van iedereen. Dat gebeurt in een leerproces waarbij over de sturing van dat handelen wordt gesproken.

De individuele identiteit wordt gevormd in het natuurlijk systeem. Aanvankelijk krijgt het kind mee dat het belangrijk is. In de tweede fase, de stabiliteitslaag van het sociale regelsysteem, krijgt iemand erkenning voor zijn bekwaamheid, de individuele identiteit verdwijnt dan naar de achtergrond. In de derde fase wordt de individuele identiteit weer belangrijk, men ligt voor op de maatschappelijk kennis en ontwikkelt een eigen logica van zelfsturing. Door de communicatie wordt men bewust van de eigen zelfsturing. Op grond daarvan kan men de sociale structuur bijstellen. Ook houdt dit een zingeving in, omdat het eigen logisch model als model kan dienen voor anderen.

De sociale structuren wordt zo kwalitatief verbeterd in de richting van meer mogelijkheden voor zelfsturing en uitbreiding van de menselijke programma’s. De regelsystemen worden daarbij tot een infrastructuur voor de ontwikkeling van mensen. Alle innovaties en vernieuwingen in de maatschappij komen ook alleen voort uit de ontwikkeling van de verborgen programma’s van mensen.

Communicatieve zelfsturing vormt niet alleen een nieuwe stabiliteitslaag in de cultuur, ook betekent het een nieuwe filosofie.

Communicatie en zelfsturing vormen een logisch paar. De specialist wil voor de zelfsturing van zijn leven en het uitbouwen van zijn verborgen programma er ook filosoof bij zijn, door de verbinding te leggen met het communicatief systeem. De zelfstuurder wil dat de specialist de informatie vertaalt naar communicatie, hij wil weten wat de nieuwe mogelijkheden zijn die uit de nieuwe kennis voortvloeien.

De vraag is steeds of het verborgen programma erbij gebaat is dat een individu of een groep bezig is te ontwikkelen. Als het verborgen programma wordt uitgebreid ervaren we dat als geluk, wordt ons verborgen programma beknot, dan ervaren we dat als verdriet.

Bij de communicatie is dan ook van belang dat de zender inzicht heeft en rekening houdt met het verborgen programma van de ander.